bootstrap menu

DE ROMANTIEK VAN VERVLOGEN TIJDEN

4 november 2017

Acht februari 2004. Ik zat toen in m’n laatste jaar van het middelbare onderwijs, sociale media bestonden nog niet, muziek werd nog op CD aangekocht en op m’n gsm toestel stonden nog vier letters per toets. Bij ons stond Dany Verlinden nog in doel, verdeelde Englebert het middenveld, en dienden Verheyen, Lange en Mendoza voor de doelpunten te zorgen. Om maar te zeggen dat het verdomd lang geleden is dat we Antwerp nog eens op bezoek kregen in het Jan Breydelstadion.


Niet enkel op het veld, maar ook ernaast is het een wedstrijd die steeds de gemoederen weet te beroeren. De beide harde kernen lusten elkaar rauw. En dat is beleefd uitgedrukt. In het collectors-item dat volgende week verschijnt over meer dan dertig jaar Brugse harde kern, het boek ‘East-Side Never Dies’, zullen ongetwijfeld meerdere pagina’s gewijd worden aan die rivaliteit. Bij het bekendmaken van de competitiekalender werd 22 oktober dan ook bij velen met stip in de agenda aangeduid. Ook bij de ordediensten trouwens. Maar met minder enthousiasme.


En ook al mag er dan een vijandschap zijn tussen onze beide ploegen, die voor sommige supporters zelfs verder gaat dan die tegen Anderlecht, toch moeten we bekennen dat er ook veel gelijkenissen zijn tussen onze clubs. Wederom op het veld - met strijdend voetbal, mannen met baarden die er hun kop voor leggen, harde beren veeleer dan technische dribbelaars – maar ook ernaast. De supporters, daarin zijn die van Club en Antwerp uniek. De trouw, de passie, de beleving. Volgend over land en zee.


Vandaag de dag is voetbal steeds meer commerce waarbij alles la-la-la en vooral plezant moet zijn. Ga maar eens naar de Rode Duivels kijken. Door velen wordt er meer plezier beleefd aan het schminken van de wangen en het zwaaien met de vlaggetjes dan aan wat zich op het veld afspeelt. In dat opzicht zijn grote delen van de supporters van Club en Antwerp diegene die nog enig weerwerk bieden. Wij zijn nog écht. Wij zijn nog datgene waar ik destijds als jong manneke van onder de indruk raakte. Dat Engels sfeertje. Mannen. Echte mannen. Rauw. Trots. Zingend. Hevig juichend, exploderend bij elk doelpunt. Vaak een hoek af en niet altijd binnen de lijntjes kleurend. Door de goegemeente veelal scheef bekeken, niet begrepen. Maar tenminste staand voor een identiteit en altijd het voetbal zelf – de essentie – voorop plaatsend.


En daarom ben ik maar wat blij dat een cultclub als Antwerp, met meer dan tienduizend trouwe volgelingen, na een helletocht van dertien jaar tweede klasse terug op het hoogste niveau speelt. Een meerwaarde voor onze competitie. Veel meer dan het zoveelste provincieploegje dat moet spelen voor beperkt gevulde tribunes met plaatselijke commerçanten en lokale jeugdbewegingen.

Zondag zal ons stadion weer kolken, zal de boel weer ontploffen. Zondag zullen we er even weer van kunnen proeven, zullen we het even weer voelen.


Die romantiek van vervlogen tijden.


FRUSTRERENDE FRUSTRATIES

14 september 2017

Als ik me weer eens opjaagde in het voetbalgebeuren dat niet liep zoals gewenst, en die frustraties ventileerde, kreeg ik van één iemand vaak de volgende reactie: “Gille vent, ’t wordt tijd dat ge nen kleinen maakt ze, dat ge dat allemaal een beetje leert relativeren.”. Die kleinen is ondertussen onderweg, en kijk, een snertmatch zoals zaterdag op Moeskroen zorgt al voor minder inwendige strubbelingen dan dit vroeger het geval was. Het helemaal loslaten kan ik nog steeds niet, dat kon u lezen in m’n vorige blog. Maar er is beterschap. Hij had gelijk.


Op vandaag raak ik eerder gefrustreerd door de frustraties van m’n mede-supporters. Die frustraties die eigenlijk al een gans seizoen smeulen bij grote groepen, verspreid over het ganse stadion. Zij het nu bij thuis- dan wel uitwedstrijden. Na enkele minuten spelen voel je het al. De tweede verkeerde pass van gelijk welke speler en je hoort het volume gemor toenemen. Je ziet mensen rondom u onrustig op hun zitje schuiven. Links en rechts zie je al eens een wegwerpgebaar. En naarmate het algemene spel – of dat van bepaalde spelers – meer slordigheden gaat vertonen, hoor je al eens een awoert. De voorbije (competitie)wedstrijden werd die opborrelende zenuwachtigheid uiteindelijk de kop ingedrukt door de behaalde overwinningen. Zoals ik in een eerdere blog al schreef, het Brugse publiek is hondstrouw en ongelooflijk vergevingsgezind. Iets minder dan 72 uren na de Europese uitschakeling stak de Noord alweer een Mexican Wave in gang. Om maar te zeggen.


Vorige zaterdag was alles anders. Eerste competitienederlaag en het spel zat op de wagen. Wat was me dat na affluiten zeg? Het waren scènes alsof we in de zes voorbije matchen niet één keer wisten te winnen, we met amper 3 op 18 ergens onderaan de rangschikking bengelden, en dat alles de schuld van één man was: onze trainer. Nochtans is dergelijk scenario niet bij ons, maar in die andere provinciehoofdstad aan de orde. En toch. Agressieve wegwerpgebaren, boegeroep en zelfs een halfvolle pint richting z’n hoofd. Dat was het deel voor onze Ivan Leko na de zaterdagavond wedstrijd op Moeskroen. Push to add some drama. Zal het eventjes gaan ja?

We zitten met een jonge coach die de loodzware erfenis van MPH moet dragen. Die een quasi nieuwe, en zeer jonge groep moet vormen. De gemiddeld jongste groep in eerste klasse, las ik eerder deze week in de kranten. Leko vertrekt vanuit een misschien ambitieus, maar wel aantrekkelijk systeem van voetbal. Een systeem dat dus tijd nodig heeft om er bij de spelers in te slijpen, iets wat niet van vandaag op morgen lukt, iets wat met groeipijnen gepaard gaat. Maar in tegenstelling tot vorig seizoen, waar het aantal snertmatchen heus ook niet meer op twee handen te tellen was, ligt de schuld volgens velen nu niet meer bij de spelers. Nu heeft de trainer de boter gegeten. Tja.


We staan op vandaag met 15 op 18 na zes speeldagen, waarvan vier verplaatsingen. Bij die vier verplaatsingen zaten twee zwarte beesten voor onze Club, waar we telkens met de volle buit opnieuw vertrokken. Zoek ze maar hoor, de ex-trainers die de voorbije tien jaar met 6 op 6 terug op de bus kropen in Waregem en Kortrijk… In de stand staan we 7, 10 en 12 punten voor op die andere G5-ploegen. En toch voelt het in de tribunes soms aan alsof wij in een diepe crisis zitten. Ik begrijp het écht niet. Het is een algemene tendens, alles moet perfect zijn of er komt gemor bij het volk. Alsof sommigen na de prijzen die MPH wist te behalen als trainer, de 10 jaren miserie die daaraan vooraf gingen alweer vergeten zijn. Toen ging het er erger aan toe hoor.


Ach, ik schrijf hier niet om m’n mede-supporters te zeggen wat ze moeten doen. Ik wil geen vingerwijzende kleuterjuf spelen. Maar ik begrijp het gewoon niet. Ik vind die frustraties bij sommigen momenteel nogal frustrerend. Misschien moeten we met z’n allen eens stilstaan bij ons verwachtingspatroon. Het is soms alsof elke wedstrijd met een overtuigende, de tegenstander wegspelende 5-0 overwinning moet worden beëindigd om geen gemor te hebben.


Ik geloof in Ivan Leko. Ik geloof in zijn 3-5-2 systeem. Ik vind het in elk geval aantrekkelijk en het biedt een mooi potentieel. Dat die overgang bij de spelers niet volledig verteerd is na twee maanden, is niet meer dan logisch. Maar moet je het daarom overboord gooien?

Toen we op zoek gingen naar een nieuwe trainer enkele maanden geleden, was het voor iedereen een verrassing van formaat toen Ivan Leko plots werd voorgesteld. Zeker omdat ervoor enkele grote namen als gerucht werden opgevoerd. Frank De Boer om de belangrijkste te noemen. Die mocht eerder deze week z’n biezen pakken bij Crystal Palace en gaat de geschiedenisboeken in als de kortst zetelende trainer in de Premier League sinds het ontstaan ervan. Amper vier wedstrijden hield hij het vol, waarin z’n ploeg geen enkele keer kon winnen noch scoren. Zo zie je maar, namen zijn geen garantie op succes. Succes kan wel een naam maken.


Ik geloof in Ivan Leko. Laat hem, samen met het team, nog maar wat groeien. En steun hen daar ook in. Te beginnen morgenavond tegen Mechelen, opnieuw met z’n allen aanmoedigend achter het team. Ons stadion opnieuw laten bruisen. Daarmee raken we verder dan het zenuwachtige gemor na een verkeerde baltoets. Geloof me.


TE SLAP

25 augustus 2017

Dooddoeners in de sportwereld, de voorbeelden zijn legio. Vooral bij slechte prestaties. Tennisspelers die het laten afweten, hebben het nadien steevast over het “niet in het juiste ritme raken” waardoor ze de wedstrijd verloren. Wielrenners die er op D-Day niet staan, spreken over “de goeie benen die ontbraken”. Maar dé dooddoeners na een slechte prestatie vind je toch in de voetbalwereld. Zo ook na gisteren weer. “We zijn te slap begonnen”.


Hoezo, te slap begonnen? Het is godverdomme jullie job! Wie o wie heeft bij dergelijke snertprestaties op z’n werk het recht om – ongestraft – met zo’n excuus op te draven? De Barista die in plaats van de fles melk een fles azijn bovenhaalt om z’n Caffè Latte te maken? De fabrieksarbeider die het te monteren stuk met twee in plaats van zes vijzen vastmaakt? Of de boekhoudkundige bediende die een factuur van € 83,75 verkeerdelijk inboekt als € 8.375 waardoor de ganse boekhouding in de soep draait? Zie je hen dan al afkomen, eens op het matje geroepen… “Goh. Ja. Just. Goh. Wel. ‘k Was die voormiddag wat slap begonnen”.


Kijk, als je op jaarbasis meer verdient dan wat velen onder ons ooit zullen kunnen bijeen sparen, en dat om amper twee keer per week – een gemiddelde dat we nu dus al niet meer zullen halen – te moeten presteren, dan heb je het récht niet om te slap te beginnen. Stenen kloten krijg ik van zo’n uitspraken. En dat doet zeer ... . Jullie waren gewoon slecht. Archie-slecht. Te kakken gezet voor gans Europa. Net zoals vorig jaar. Het is en was gewoon Club onwaardig.


Het mentaliteitsprobleem. Nog zo’n dooddoener waarover in de voetbalwereld vaak gepraat wordt. En iets wat op Club al jaren een probleem vormt. De ene keer alles. Opbouwen. Hoopgevend. En dan plots weer het grote niets. Gewone spelers met vedette-allures. Dat is echt niets voor ons hoor. Terug die voetjes op de grond graag. Als je als team jaar na jaar alles wint, dán mag je eens streken hebben. Maar dat is enkel weggelegd voor de Bayerns, Barça’s en Juventussen van deze wereld. Dat past en hoort niet bij Club Brugge.

Ach, wat ben ik ontgoocheld, wat ben ik kwaad. Mensen rondom mij zeggen al jaren dat ik het voetbal moet leren relativeren. Ik doe m’n best, maar op dagen als vandaag lukt me dat niet. Vandaag loop ik dan gewoon wat te nukken. Schrijf ik de frustraties van me af. Terwijl m’n stelregel normaal is om minstens 48 uren te laten passeren tussen het onaangename moment enerzijds en het tijdstip waarop ik daarover begin te schrijven anderzijds. Alles eerst wat laten bezinken. Ik doe m’n best, maar op dagen als vandaag lukt me dat niet.

Ik ga hier eindigen zoals ik begonnen ben, met een dooddoener. Ik verwacht snel ‘een reactie’ van spelers. Ja, van de spelers. In tegenstelling tot 90% van de Club supporters op Twitter en fora, weiger ik namelijk om Leko op de brandstapel te zetten. Akkoord, je kan u vragen stellen bij z’n wijziging van systeem – ‘het systeem’… nog zo’n dooddoener – net voor dé match van het jaar. Maar het is heus niet Leko z’n schuld dat de spelers als natte vodden op het veld stonden. In een nog niet zo ver verleden haalde MPH Europees 0 op 18 met zo goed als dezelfde kern, en dat was nu ook weer niet tegen ploegen die de Europese top uitmaken.


Neen, wat gisteren gebeurde kan voor mij niet louter in Leko z’n schoenen worden geschoven. De mentaliteit, dáár moet dringend verandering in komen. Als Michel het niet kon, en Leko het niet kan, dan zou pakweg Frank De Boer het ook niet kunnen. De sleutel, die ligt bij de spelers zelf. Het shirt van Club, dat krijg je niet, dat moet je verdienen! Reactie dus. Te beginnen nu zondag al, tegen Standard, op m’n verjaardag. Gelukkig hebben we een hondstrouw publiek. Bij winst zal het ongetwijfeld weer van je ‘Super Bruges! Looo loo loo lo lo looo’ zijn. Zonder mij deze keer. Wat de uitslag ook moge zijn, na het laatste fluit signaal ben ik weg. Richting kantine. Pinten drinken. Nog wat nukken, weet je wel.


OOG VOOR DETAIL

10 augustus 2017

Reeds van toen ik nog een kind was, kon ik me al spelend opjagen wanneer bepaalde details niet goed zaten. Een spelend kind, dat is fantasie. Dat beweegt zichzelf voort in een bijeen gefantaseerde wereld waarin hij of zij, naargelang de spelsituatie, meestal een zeker beroep uitoefent dan wel als superheld de wereld behoedt van alle onheil. En toen reeds, waren ze voor mij zo belangrijk… Die details. Spelen, dat was het immers voor de grote mensen. Voor mij was het bittere ernst. Het moest net als écht zijn. En hoe kan het nu net als écht zijn, als die details niet goed zitten?


Don Diego de la Vega op TV z’n metamorfose naar Zorro zien maken, waarbij hij een soort zwarte bandana met ooggaten over gans z’n hoofd trok als masker, met daarop dan z’n hoed. De ontgoocheling was groot toen ik eindelijk ook zelf een Zorro kostuumpje kreeg. Een gewoon maskertje met elastieken rekkers om over uw hoofd te trekken? Maar dat zouden ze toch onmiddellijk zien dat het niet echt is? Dat het grote, op z’n achterpoten springende zwarte paard in m’n fantasiewereld al achterwege moest blijven, kon ik nog enigszins relativeren. Maar kunnen we er op z’n minst voor zorgen dat het masker goed zit?


Zo rond het vijfde leerjaar, toen m’n fascinatie voor het voetbalgebeuren en vooral Club Brugge in volle bloei stond, trok dat oog voor detail zich ook in die wereld door. En dan meer specifiek in de shirts waarmee de spelers op het strijdtoneel verschenen. M’n kamer hing vol met uit m’n ouders hun ochtendkrant gescheurde knipsels met spelers van Club. Spehar en Stanic waren net weg, het was Gert Claessens die op dat moment m’n aandacht trok. De op dat moment vaak scorende rugnummer 11 kwam je het meest tegen op de tientallen knipsels aan de muur van m’n kamer.


Toen reeds, als twaalfjarig ventje, maakte ik een gedetailleerde analyse van zijn shirt. Het was het seizoen ‘97-’98, Club speelde nog in Adidas shirts met de kop van het toenmalige Gemeentekrediet als hoofdsponsor vooraan. Achteraan stond een grote zwarte print van het Club logo over gans de rug, met daarin het witte rugnummer en erboven de spelersnaam. Onderaan in die geblokte rugnummers van dat seizoen, stond nog voluit ‘adidas’ geschreven. Zo, met kleine letters, nog geen logo met drie strepen. Die nummer 11 van Claessens werd met oog voor elk detail door mij nagetekend op papier, en uitgehangen in m’n kamer.


U merkt het, Zorro had m’n fantasiewereld ondertussen verlaten en werd volledig ingeruild voor voetballers van Club. De tuin van m’n grootouders als een bijeen gefantaseerd Jan Breydelstadion. De paal in de tuin die m’n grootmoeder haar wasdraden omhooghield was de rechter doelpaal, de haag waarin die draden verdwenen de linker. Het in hout aan het huis gebouwde staketsel, waarin de houtblokken voor de open haard lagen te wachten op hun verbranding, was de tribune met supporters. Ik dribbelde er, maakte er wereldgoals en liep er juichend ererondes door het stadion. Mijn stadion.


Eén iets ontbrak nog, een écht Clubshirt om mee te spelen. Toen ik me rond die leeftijd aansloot bij de plaatselijke voetbalploeg kon ik m’n ouders ervan overtuigen dat ik effectief wel zo een Clubshirt nodig had om te gaan trainen. En in die tijden, lang voor de Clubshop de hedendaagse online mogelijkheden bood, betekende dat dus gaan aankloppen bij de plaatselijke sportwinkel. De voetbalshirts van Club Brugge en van die uit Brussel werden er naast elkaar uitgestald. Van Premier League ploegen was er nog lang geen sprake, laat staan van zichzelf topploeg noemende provincieploegjes.


Ik koos uiteraard voor het Blauw-Zwarte thuisshirt en moest nog enkele dagen geduld oefenen voor de bedrukking. Ik koos voor de 11 van Claessens, maar met mijn eigen naam erboven gedrukt. M’n fantasiewereld, weet je nog... Slapeloze nachten, dagen die weken leken te duren. Maar eindelijk was het dan zover, eindelijk mocht ik m’n shirt gaan ophalen. Ik zie de man z’n gezicht nog voor me. “Het is klaar, ik ga het halen”. Hij verdween even langs achter in z’n winkel, en kwam terug binnen terwijl hij het shirt met z’n twee armen gestrekt voor zich uit hield. Eerst de voorkant tonend. Een glimlach maakte zich meester van m’n gezicht.


Toen hij het shirt omdraaide en de bedrukking toonde, werd die glimlach echter snel omgeruild voor een enorme ontgoocheling en ei zo na acute maagzweer. Hij had er namelijk z’n eigen variant van lettertype op gehangen. Geen geblokte 11 met onderaan ‘adidas’, maar een eigen ontwikkelde 11 bestaande uit dunne lijntjes die – bijna tegen elkaar geplakt – een 11 vormden. Beleefd, doch gefrustreerd verliet ik de winkel met het shirt waar ik zo lang naar verlangd had. Thuis volgde nog een tweede ontgoocheling, toen het shirt wijd uitgespreid op m’n bed lag en ik vergeleek met de foto’s uit de krantenknipsels aan m’n muren. Want waar waren die kleine Gemeentekrediet logo’s die de spelers op de mouwen van hun shirts droegen, eigenlijk op mijn shirt gebleven?


Dit overblijfsel uit m’n kindertijd trekt zich vandaag, ondertussen kop 20 jaar later, nog steeds door. Elke zomer opnieuw verlangen naar die nieuwe shirts. Sommigen geven er bij manier van spreken niets om, zolang ze maar Blauw-Zwart gestreept zijn. Voor mij echter is het een jaarlijks uitkijken naar het belangrijkste stukje textiel dat er is. Er is geen periode op het jaar waarbij ik het supportersforum meer afschuim, dan tijdens de weken waarbij het ‘new shirts’ topic hoogtij viert. Telkens weer benieuwd welke details erin gestoken zullen worden, benieuwd naar wat ze dat tikkeltje anders en hopelijk nóg mooier zullen maken dan het jaar voordien. En gelukkig, telkens in de wetenschap dat ze vandaag in de Clubshop gekocht kunnen worden mét alle details, en er bedrukt worden met het échte lettertype.


Mijn gefantaseerde tribunes van weleer werden ondertussen reeds lang geleden afgebroken, m’n nonkel bouwde er zijn huis op. En op een bal trap ik zelf al lang niet meer. Maar elk jaar opnieuw, is het aangekochte Clubshirt even een terugkeren naar m’n fantasiewereld van weleer. Even voel ik me dan weer speler. Nog altijd ga ik erin op. Toen ik recent het nieuwe Macron shirt ontving, stuurde ik prompt een foto met het shirt naar m’n vriendin, voorafgaand door de teasende woorden “Het is zover!!!”. Toen ze de uiteindelijke foto via WhatsApp opende, reageerde ze: “Ik denk altijd dat je de Lotto gewonnen hebt als je zoiets stuurt. Maar ja, voor u is dat een beetje zoals de Lotto winnen he.”,


met een breed lachende smiley achter … . Het nieuwe Clubshirt in de Clubshop: € 85. Een vriendin die zich kan inleven in uw fantasiewereld: onbetaalbaar.

DE OEFENMATCHEN

08 juli 2017

Zelf kan ik er maar van dromen, en algemeen genomen is het een luxe die weinigen genieten. Vier weken vakantie. Vier. Het moet van m’n studententijd geleden zijn dat ik nog een aaneenschakeling van vier weken zorgenvrij leven gekend heb. Na vier weken begon toen de voorbereiding op de tweede zit immers alweer. Soms zelfs reeds na twee weken, maar daarover ga ik hier niet verder uitweiden. Neen, de heren voetballers mogen écht niet klagen over hun verlofperiode, waarbij ze ons steevast jaloers maken met Instagram foto’s en stories, liggend aan het zwembad van de exclusievere Ibiza poolclub, met hun van – al dan niet natuurlijke – D-Cup voorziene WAG’s. En toch … .


Toch heb ik jaarlijks het gevoel dat dit tussenseizoen zo ongelooflijk snel voorbij vliegt. Net nu m’n vriendin het opnieuw gewoon is om een ‘ja’ te horen op de vraag of ik op zondag vrij ben, knallen de sportkranten en Club TV’s van deze wereld het nieuwe seizoen alweer helemaal op gang. Beelden van de eerste trainingen, binnenvallen op de kamer bij de spelers op het oefenkamp, interviews met de nieuwe trainer, van fora overgenomen geruchten over nakende transfers en weetjes over de pas getransfereerde nieuwe spelers. En uiteraard niet te vergeten: de planning van de oefenmatchen, wat voor mij gelijk staat met het eerste schooldag moment voor de voetbalsupporter.


Ja, ik hou wel van die periode die me steevast doet denken aan het 1 september-gevoel van toen we nog naar school gingen. Je hebt elkaar een tijd lang niet gezien door de vakantie, maar vandaag hervat alles weer. Zie je die bekende koppen terug en besef je dat je je opnieuw mag opmaken voor een jaar vol belevenissen waarover je soms nog heel lang kan navertellen. In die optiek is een voetbalseizoen uiteraard iets leuker om te hervatten dan de schoolperiode van weleer, maar toch zijn de gelijkenissen legio. De hervatting, het opnieuw afspreken met de maten om er samen naartoe te rijden. Terug die praatjes voor aanvang en tijdens de pauze van het serieuzere werk. Opnieuw de geuren opsnuiven die gepaard gaan met de plaats. Muffe klaslokalen en doordringende geuren uit de schoolkeuken, maakten plaats voor de geur van vers gemaaid gras en sigarettenrook op het voetbaltoneel.


Er valt onmiddellijk ook reeds een zekere spanning waar te nemen. Nog niet goed wetend wat het komende jaar allemaal zal brengen. Hoogstwaarschijnlijk zijn er enkele nieuwe jongens in de klas, anderen die ons dan weer zullen verlaten wegens verhuis naar andere scholen of verder nog, andere landen. Dit jaar wordt het zelfs nóg spannender, want voor het eerst sinds lang staat er ook een nieuwe leraar voor de klas. Benieuwd dus, nog niet goed wetend waar hij naartoe zal willen, hoe hij de leerstof zal overbrengen, welke stijl hij zal hanteren, hoe streng hij zal zijn.


En toch vond ik die eerste september zo’n leuke dag. Alles verloopt immers nog in een zeer ontspannen sfeertje. Die eerste schooldag stond, net als de oefenmatchen, gekend als een rustige aanloop naar meer. Er zit nog geen druk op de ketel. Het is een aftasten op alle vlakken. Nog geen ergernissen en iedereen komt nog goed overeen. De jongens die ons verlaten hebben zullen uiteraard gemist worden, maar we gaan er hoopvol van uit dat we evenveel plezier zullen beleven met de nieuwe jongens in de klas. Planningen worden reeds gemaakt, maar liefst ook nog niet teveel in detail. Want die eerste september, dat is toch zo een beetje de uitloper van de vakantie, niet?


In uw achterhoofd echter weerklinkt steeds luider dat stemmetje. Dat stemmetje dat u de keiharde waarheid influistert en u eraan herinnert dat de vakantie toch wel onherroepelijk voorbij is. Straks ligt er immers weer serieus werk op de plank, straks volgen er weer taken, volgen er weer serieuze tests. En dan zullen we er opnieuw moeten staan. Dan zal er weer resultaat moeten gehaald worden. Maar daar moeten we op vandaag nog niet aan denken, toch?


Ach, wat hield ik van die eerste september. Wat hou ik van die oefenmatchen.

Ik had het er al eens over gehad, voetbal en emotie. Iets dat niet uit te leggen is aan personen die geen liefde hebben voor dit spelletje. Toen ik een grote week terug in de gigantische voetbaltempel Camp Nou, een stadion dat zo’n kleine honderdduizend toeschouwers kan bezetten El Clásico bijwoonde merkte ik het volgende op. Naast de vele voetballiefhebbers zag ik er toeristen rondlopen die de passie voor het spelletje niet direct met de paplepel hebben meegekregen . Maar voetbal hoeft je geen bal te interesseren om toch te zien dat Messi een schitterende speling van de natuur is en dat het een voorrecht is om naar hem te kijken. Dit is fascinerend om te zien en tevens onweerstaanbaar. Ook voor degenen die op zich niet zo geïnteresseerd zijn in deze bezigheid. Het toont aan dat persoonlijkheden in een sport belangrijker zijn dan de sport zelf. Tenminste, als het aankomt op de popularisering van de betreffende sport.


Want onze passie, Blauw Zwart, stamnummer 3 die werd opgericht op 13 november 1891 is de verpersoonlijking van onze trots die we samen uitdragen. Hoe je het draait of keert als supporter kan je de week goed aanvatten als je ploeg het maximum van de punten haalt in de vaderlandse competitie en de play-off 1 kandidaten tijdelijk worden gedegradeerd tot play- off 2. Dan draag je een soort van trotsheid met je mee ! Trotsheid die donderdag serieus op de proef werd gesteld te Athene waar het alles of niks was. Een gelijkspel was immers voldoende om door te gaan naar de groepsfase van de Europa League maar dan moesten onze spelers met de juiste mentaliteit op het veld staan en bewijzen dat ze het waard zijn om Europees te spelen.


Qua tactische keuzes wil ik het er niet zo over hebben, ieder heeft zo zijn eigen mening over het spelletje. Maar het werd al snel duidelijk dat we niet moesten gaan speculeren op een gelijkspel in de hoofdstad van Griekenland. Want na amper 5 minuten knalde Klonaridis hard op de paal en in de herneming ging de bal gelukkig naast doel. Tot de twintigste minuut had Brugge zo’n grote zestig procent balbezit maar in voetbal koop je daar niks mee. Er was geen vertrouwen binnen de ploeg en de onzekerheid waarmee bepaalde passes werden gegeven deed pijn aan de ogen. Toen er enkele minuten later een penalty volgde aan de Griekse kant voelden we de bui al hangen. We werden op alle vlakken afgetroefd op eenvoudige wijze tegen een ploeg die zeker te kloppen was als de spelers hun niveau haalden en met de juiste mentaliteit op het veld stonden.


Onbegrijpelijk, als je het mij vraagt. Een club als Brugge hoort altijd in de groepsfase van Europa te zitten maar niet op deze manier. Op woensdagavond 26 juli stonden we na een kwartier spelen in de voorronde van de Champions League 2-0 voor tegen het Turkse Istanbul Basaksehir en was er geen wolkje aan de lucht. Nu, een maand later zijn we al Europees uitgeschakeld en komen de donderwolken richting Jan Breydel. Het kan snel keren in voetbal waar we ons helaas enkel en alleen nog maar kunnen focussen op de huidige competitie en de beker van België. Dat voelt raar aan, zo vroeg op het seizoen.


Nu, met Supersunday op het programma dit weekend waar we thuis de Rouches zullen ontvangen zal de beschamende vertoning van donderdag zeker worden aangehaald in en rond Jan Breydel. Maar supporter ben je in goede en slechte tijden zeggen ze dan. Toch hoop ik wanneer de spelers zondag het veld opgaan even denken aan de clubleuze: No Sweat/No Glory.